|  Login
 
Inleiding

Elke menselijke samenleving heeft zich steeds het beheersen van de omgeving tot doel gesteld. Dit meesterschap over het leefmilieu moest in zijn oorsprong beantwoorden aan de fundamentele nood en bescherming tegen de grillige natuur en vijandige tegenstrevers van buiten af. Het is in dit verband veelbetekenend dat in oude talen meestal twee woorden voorkomen, die het begrip stad aanduiden: het ene verwijst naar de noodzaak zich te groeperen om zich te verdedigen en doelt op de versterkte stad, terwijl de andere de plaats aanduidt waar men alle voordelen der bescherming verenigd vindt; zoals werkgelegenheid, handel, kunsten, recreatie, in één woord het geciviliseerde leven.

De geschiedenis van de steden openbaart ons de bekommernissen en de verlangens van de mensen: ze licht ons in omtrent het bestaan van de fundamentele cel die het menselijk woonmilieu is: "de huisvesting van de mens en zijn gezin".

De demografische explosie van de 19e eeuw, samengaand met het ontstaan van onze industriële beschaving was de oorzaak van een diepgaande wijziging in de structuur van de stad. Waar vroeger de stad het verzamelpunt was van ambachtelijke, commerciële, financiële, administratieve en culturele activiteiten en zo een evenwicht tussen de sociale klassen had bewerkstelligd, voegde zich hier nu een nieuwe bevolking bij, afkomstig van het platteland.

De toenmalige bouwheren waren quasi uitsluitend bezield met de imperatieven van productie en winst ter bepaling van de kwaliteit van het woonmilieu en bijgevolg ook van de menselijke relaties, zoals de ´corons´ in Wallonië en in de beluiken in Vlaanderen. Hierin speelde zich, in vaak pijnlijke en miserabele toestanden, het leven af van een groot gedeelte van de arbeidersklasse.

Slechts na de grote staking van 1886 werden de verscheidene sociale klassen zich werkelijk bewust van het probleem.

Deze bewustwording leidde tot de eerste huisvestingswet in België. Tot de eerste wereldoorlog werden 63000 koopwoningen gebouwd. Het resultaat was opzienbarend doch bleef op grote schaal ondoeltreffend. De wet begunstigde inderdaad slechts de hogere lagen van de arbeidersklasse, dit wil zeggen zij wier inkomen voldoende was om de genoten lening terug te betalen. Deze leemte in de wetgeving werd ingezien en vanaf 1893 begon een campagne voor de oprichting van een organisme wiens specifieke taak het zou zijn de huisvestingsproblemen der minst gegoede categorieën van de bevolking op te lossen (9/8/1989). Van dat ogenblik dateert het idee van een Nationale Maatschappij van Goedkope Woningen, maar er zou nog heel wat tijd verstrijken vooraleer ze concrete vorm aannam. De sematische verschuiving is meer dan formeel; de ´goedkope woning´ is die woning waarvan de bewoonbaarheid, omwille van economische doeleinden, beperkt is tot het strikte minimum, terwijl de ´volkswoning´ dient te beantwoorden aan het begrip van een woning waarvan de afmetingen en het comfort zo groot mogelijk zijn, mits de kostprijs binnen de grenzen van het economisch aanvaardbare blijft.

De leemte in de wetgeving, de huisvesting van de minst gegoede categorieën van de bevolking, kreeg pas in 1919 een concrete vorm. Namelijk door de oprichting (11.10) van de toenmalige Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken, later omgevormd tot de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting (1956) en sedert juni 2006 de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen.

Deze kwijt zich van haar taak met de hulp van meer dan honderd lokale of regionale vennootschappen, waarvan één: De Zonnige Woonst.

De erkende vennootschappen bouwden reeds méér dan 300 000 woningen, met een bevolking van meer dan 1 000 000 bewoners.

In vergelijking met de buurlanden bezit Vlaanderen slechts 8,8% sociale woningen (5.23 huur - 3.26 koop). Nederland en Duitsland overschrijden 30 à 40%!

Copyright (c) 2012 De Zonnige Woonst Hamme